Recensie
Mulisch' slippendragers hebben een onleesbare roman van hem uitgebracht, en brengen die aan de man als een sublieme spil in het oeuvre van de grote schrijver.
De ontdekking van Moskou
Harry Mulisch

De ontdekking van Moskou

Fictie
Van zijn vrienden en familie moet Harry Mulisch het niet hebben. In de vijf jaar die verstreken zijn sinds hij stierf, bezorgen de ijverige adepten en naasten hem een dubieus naleven. Na de postume publicatie van een verhaal dat al stokte voordat het goed en wel op gang gekomen was (De tijd zelf, 2011) een oud dagboekje dat hij zelf in 2007 nog ongeschikt achtte om uit te geven (Logboek, 2012), en de pijnlijke poging tot poëzie van zijn dochter Frieda (Nooit vergat ik jou, 2014), achten de gediplomeerde paladijnen Marita Mathijsen en Arnold Heumakers thans de tijd rijp voor de openbaarmaking van het grootste mysterie uit het oeuvre van Mulisch: een roman waaraan hij telkens begon, waarvan hij in 1963 en in 1981 de verschijning zelfs liet aankondigen, maar waar hij iedere keer weer in verstrikt raakte: De ontdekking van Moskou.

Ruim een halve eeuw bespeelde ­Mulisch de media gewiekst, en kon zo het imago van de onberispelijke alleskunner ogenschijnlijk moeiteloos door al die jaren loodsen. Hoe hij dat voor elkaar kreeg, is na te lezen in een academisch boek van Sander Bax (De ­Mulisch Mythe) en een anekdotisch boek van Stijn Aerden (Telefoon voor de heer Mulisch), auteurs die niet bij de schrijver over de vloer kwamen en een aangename distantie tot hun onderwerp bewaren.
De ontdekking van Moskou gaat over een mislukte expeditie uit de vijftiende eeuw
Maar in de eerste kring rond het fenomeen, met mensen die al verguld waren als ze een keer mochten aanzitten bij een etentje van Harry's Herenclub, heeft de gedachte postgevat dat ook de rafels tot het oeuvre behoren, hetgeen ze met ronkende nawoorden willen onderstrepen. Denkend ­Mulisch te dienen, bewerkstelligen ze het omgekeerde: in vier jaar tijd wordt nu voor de derde keer aangetoond dat Harry Mulisch feilbaar was, tijden vruchteloos kon worstelen en sleutelen, en dat niet alles wat hij aanvatte uiteraard in glanzend goud veranderde. Al schijnt hij op het ziekbed dat zijn sterfbed werd plotseling alles best gevonden te hebben, wat er nu gebeurt heeft Mulisch in de tientallen voorafgaande jaren met reden willen tegenhouden.

En hij had groot gelijk. Een komisch gezicht is het wel, en een beetje sneu, dat de slippendragers ­Mathijsen en Heumakers de levenloze brokstukken van een onleesbare roman aan de man proberen te brengen als de sublieme spil in het oeuvre. Juist het feit dat Mulisch het werk onvoltooid liet, zou in hun ogen een bewijs van zijn meesterschap: het verhaal heeft nu geen einde en gaat dus eindeloos door. Zo schiep Mulisch een onmogelijk boek. De ontdekking van Moskou gaat over een mislukte expeditie uit de vijftiende eeuw: die lui konden Moskou niet vinden, een onvoltooide expeditie derhalve, en Mulisch kon dit boek niet af krijgen, óók onvoltooid. Door een boek met deze titel te schrijven is die expeditie er toch, 'terwijl zij er niet is'.
Mulischiaanse magie, beweren de bezorgers met een stalen gezicht. De flauwe en doorzichtige maskerade van een mislukking, meent een sceptischer lezer. Wat we in handen hebben, is een onvoltooid verhaal over een schrijver die bezig was met een verhaal over een schrijver die bezig was, et cetera, en dan met allerhande commentaar en voetnoten van de onbetrouwbare bezorgers van de tekst, die ontdaan van alle ruis zou zijn gegaan over een schrijver die stuit op een interessant gegeven, een Oostenrijkse bisschop die in 1492 de opdracht zou hebben gegeven aan een groepje ongeregeld om 'Moscovia' te ontdekken, waar dan een van de deelnemers, een schrijver, verslag van zou doen.

Mulisch is er lang door geïntrigeerd geweest, die mislukte expeditie, waarover hij in 1949 een achteloos zinnetje had gelezen. In de jaren zestig begon hij dan aan de roman. Maar het wilde niet. Het was de tijd van Provo en Cuba, de fictie legde het af tegen reportages, pamfletten en egodocumenten.
Dát is de waarde van dit onboek; dat het andere, wel voltooide boeken en verhalen heeft voortgebracht
Toch bleef dit project hem aantrekken, ongeacht het bloedeloze allegaartje dat er na de zoveelste versie van overbleef. Hij wilde de mislukking te boven komen. In plaats daarvan plunderde hij de levensvatbare stukken uit het manuscript: zo ontstonden verhalen voor de bundel Paralipomena orphica (1970). Ook de succesroman De aanslag (1982) kwam voort uit een stuk dat oorspronkelijk deel uitmaakte van De ontdekking van Moskou.


Twee pagina's zijn goed leesbaar: een schrijver is door zijn vrouw verlaten, ontwaakt en ziet de rotzooi die zij in het huis heeft achtergelaten. Hij gaat stofzuigen en opruimen. 'Zijn helderheid werd niet verstoord door emoties.' Of hoopt hij dat? Het moet stormen in zijn hoofd. Hij zet Bach op ('te hard'), vragen en herinneringen buitelen over elkaar heen, en op zijn werkkamer pakt hij er een boek van vroeger bij en leest die passage die hij als 16-jarige onderstreepte, over een mislukte expeditie naar Moskou, waar misschien een schrijver bij was.
We zien de schrijver aan het werk. Hij is de greep kwijt, waardoor er juist ruimte vrij komt om, ergens in het gebied tussen droom en bewustzijn, dwars door de eeuwen heen, contact te maken met een collega. De tijd is relatief geworden.

Een mooi fragment. De rest is speelse onmacht. En nu moeten we heel gauw beginnen met het herlezen van de vroegere romans en verhalen, voordat we gaan denken dat Harry Mulisch de stumper was die zijn ­bewonderaars van hem dreigen te ­maken.

Op 6 en 7 november vindt op en rond het Leidseplein het Harry ­Mulisch Festival plaats. Tijdens de opening geven Arnold Heumakers en Marita Mathijsen een hoor­college over De ontdekking van ­Moskou (VondelCS, vrijdag, 17 uur). ­Diezelfde dag om 20 uur zal Frieda Mulisch in café Americain optreden. Sander Bax en Stijn Aerden verzorgen rondleidingen in het Harry ­Mulisch Huis aan de Leidsekade.