Dit zijn de 25 beste films van 2019
Tellen,
turven, discussiëren en een beetje ruziemaken. Het was nodig om tot één
lijst te komen van de films die dit jaar onze harten stalen, onze
tongen losmaakten of ons verbijsterd deden zwijgen.
Wat
maakt een geslaagd filmjaar? Volle bioscopen? Heel veel goede films?
Weinig slechte films? Of toch die twee à drie meesterwerken waar
iedereen het over had, films die zich prompt in ons collectieve geheugen
nestelden?
We
hadden ons in de vingers gesneden door op deze plek, precies een jaar
geleden, de oogst van 2018 te benoemen tot ‘uitzonderlijk sterk’. Was
allemaal waar, kijk maar terug. Maar wat dan nu te beweren over 2019?
Wederom
sterk bezet, ja. En veelbesproken. 2019 was het jaar waarin Martin
Scorsese de noodklok luidde: de alomtegenwoordige superheldenfilms
verdringen de overige films in de bioscoop. En die langgerekte avonturen
van Avengers en overige Batman-achtigen, redeneerde de
77-jarige cineast, dat betrof toch eerder ‘pretparkentertainment’ dan
ware cinema. Waar Hollywood zich specialiseert in merkblockbusters en
vervolgfilms, wierp Netflix, dat in 2018 al Roma had uitgebracht, zich dit jaar nóg nadrukkelijker op als veilige en kapitaalkrachtige haven voor het betere drama: The Irishman, Marriage Story, ga maar door. Even te zien in de theaters, maar vaker geconsumeerd op het kleine scherm.
Wie
in Nederland woont, het land met de hoogste arthouse- en
filmhuisdekking op aarde (op Frankrijk na misschien), heeft vooralsnog
weinig te klagen. Het aanbod is divers, het aantal belangstellenden
groot. Ook voor een Koreaanse horrorkomedie of voor Brits kitchen sink drama.
Wat betreft de ordening van deze top-25, samengesteld door de filmmedewerkers van de Volkskrant:
die is zonder vooraf bepaald protocol tot stand gekomen. Geen weging
met puntensysteem, geen lijstduwers, geen veto’s. Gewoon vijf mensen die
dit jaar veel te veel films hebben gezien en met elkaar in overleg
traden. Volkomen subjectief, dus zuiver. Over de nummer 1 en 2 ontstond
enig debat. Als de eerste vooral het hoofd bespeelde en de tweede het
hart, was die van het hart dan niet beter?
Nee, niet per se. En zo werd 2019 het jaar van de parasiet. BB
25. Tarde para morir joven (Dominga Sotomayor Castillo)
Sommige beelden nestelen zich als vrienden in je hoofd. Zoals de interieurshots uit Tarde para morir joven:
gefilterd licht in een zelfgebouwd huis in een stoffige commune. Je zou
het ‘zoekende cinema’ kunnen noemen, de manier waarop de Chileense
Sotomayor Castillo herinneringen en andere vluchtige ervaringen probeert
vast te leggen. Ze drong in De jueves a domingo (2012) door tot de kern van de kinderjaren en roept in Tarde para mori joven de adolescentie op.
Alles speelt zich af in die hippieachtige Chileense commune, in de
zomer van 1990, kort na de val van Pinochet. Die geschiedenis is alleen
op de achtergrond aanwezig. Voorop staat het universele gemodder van
tieners en hun ouders. PK
24. Ad Astra (James Gray)
Zie hem tuimelen, de astronaut Roy McBride, in een van de eerste scènes van Ad Astra,
als er iets misgaat in het ruimtestation waar hij werkt. De man in
vrije val – je kunt dat ook schitterend symbolisch opvatten. Gespeeld
door een vermoeid ogende Brad Pitt
gaat McBride op zoek naar zijn vader, die ergens in een uithoek van het
heelal schijnt te vertoeven. Ruimteschip in, spacebuggy uit, en
ondertussen wordt de astronaut steeds dieper meegezongen in een vortex
waarin ratio steeds meer lijkt te verdwijnen. Hoera voor de Nederlandse
cameraman Hoyte van Hoytema en voor de altijd verrassende regisseur
James Gray, die een Heart of Darkness in de duizelingwekkende ruimte maakte. FS
23. Mirai (Mamoru Hosoda)
In
het kleine het grote vinden, in het alledaagse het wonderbaarlijke: de
Japanse cineast Mamoru Hosoda kan het als geen ander, zo bewijst hij
keer op keer met zijn prachtige animatiefilms. Terwijl hij steeds weer
zijn eigen belevingswereld als uitgangspunt neemt, komt hij tot
fantastische, door tijd en ruimte zoevende vertellingen die ook nog eens
diep menselijk blijven. Zo ook in dit pareltje, waarmee hij eindelijk
zijn entree in de Nederlandse filmtheaters maakte. Net als Hosoda’s
eigen zoontje worstelt de 4-jarige Kun in Mirai flink
met de komst van zijn kleine zusje. Dus creëert Kun in de achtertuin
een fantasiewereld vol personages die hem steunen bij het
verwerkingsproces. En die je ook als toeschouwer helpen mijmeren over je
eigen oorsprong en toekomst. KT
22. Climax (Gaspar Noé)
De Franse meesterprovocateur Gaspar Noé (Irréversible, Enter the Void)
is halverwege de 50, maar bewees zich dit jaar andermaal als jonge
hond, nauwelijks minder wild en provocatief dan bij zijn doorbraak, twee
decennia geleden. Een groep dansers in een afgelegen oefenruimte viert
de generale repetitie met een grote kom sangria, zonder te weten dat
iemand daar een scheut lsd aan heeft toegevoegd. Wat volgt is vintage Noé:
een afdaling in een wereld waarin verwarring en paranoia, euforie en
geilheid zich als oerkrachten manifesteren. Op virtuoze wijze in beeld
gebracht, grotendeels door Noé zelf, in eindeloos lange, gekantelde of
zelfs ondersteboven gedraaide beelden die de toeschouwer deelgenoot
maken van de waanzin. BJB
21. Minding the Gap (Bing Liu)
De
beste sportdocumentaires van het jaar – en het was toch al een
uitstekend jaar voor de sportdocumentaire – zijn de rotsklimthriller Free Solo en het skateboardvriendenportret Minding the Gap.
Twee films over buitenbeentjes. De eerste volgde een ongezekerde
klimsolist, de tweede tastte diep in de levens van een kliek skatende
jongens uit onveilige gezinnen in een economisch neerwaarts bewegend
Amerika. Minding the Gap van skater Bing Liu wint. Die laatste
verstopt zich eerst achter zijn camera om zijn vrienden te filmen, maar
onthult stukje bij beetje meer over zijn aangrijpende verleden. Fraaie
ode ook aan het skateboarden. BB
20. If Beale Street Could Talk (Barry Jenkins)
De
romantische komedie mag dan nog steeds de Nederlandse bioscopen
overspoelen, wie dit jaar op zoek was naar echte, onvervalste romantiek,
die van het weelderige, dromerige, bloemrijke soort, moest bij If Beale Street Could Talk van
Berry Jenkins zijn. Ja, het is ook een rauw, realistisch drama over de
zwarte man Fonny, die onterecht wordt beschuldigd van verkrachting,
waarna zijn zwangere vriendin Tish hem uit de gevangenis probeert te
krijgen, naar het boek van de activistische schrijver James Baldwin.
Maar Jenkins, die slim speelt met flashbacks, weet de twee uitersten
soepeltjes te combineren. FS
19. De Libi (Shady El-Hamus)
Geregeld duiken er typetjes op in het Amsterdam van De Libi.
De toeristen die door de hoofdpersonages, vrolijk spijbelende jongens
op de drempel van het volwassen leven, vriendelijk naar Amstelveen
worden gestuurd. De snuivende en slikkende studenten bij wie
Bilal (Bilal Wahib) en Gregg (Daniel Kolf) zich als drugsdealers
voordoen. De deftige burgerman die meteen de politie belt. Maar
boezemvrienden Bilal, Gregg en Kevin (Oussama Ahammoud) zijn zelf de
karikaturen al lang voorbij. Hun Marokkaanse en Surinaamse afkomst maakt
gewoon deel uit van hun personages, het is geen onderwerp op zich: De Libi
draait om hun vriendschap, om hun rusteloosheid en verlangen naar
erkenning. ‘Ik zie die drie jongens als drie jongens’, aldus regisseur
Shady El-Hamus in een interview met de Volkskrant. KT
18. Booksmart (Olivia Wilde)
Elk tijdperk krijgt de middelbareschoolkomedies die het verdient, dus mogen we ons gelukkig prijzen met een jaar waarin Eighth Grade (nummer 13 op deze lijst), De Libi (19) en Booksmart het licht zagen: films over moderne tieners die veel meer zijn dan het zoveelste pubercliché. Booksmart,
over twee verstandige vriendinnen die voordat ze gaan studeren één keer
uit de band springen, volgt netjes het stramien van het genre (feestje,
verliefdheid, feestje, diploma), maar is ondertussen heerlijk dwars, grappig en opruiend.
De scène waarin de meisjes tijdens een drugstrip veranderen in
barbiepoppen behoort tot de hoogtepunten van het filmjaar; regisseur
Olivia Wilde liet zich inspireren door de bowlingdansscène uit The Big Lebowski. PK
17. High Life (Claire Denis)
Krachtvoer voor de avontuurlijke filmkijker, noemden we dit Engelstalige debuut van Claire Denis in de recensie van
afgelopen maart. De 73-jarige Franse psychodramakoningin maakte een
radicale lowbudgetsciencefictionfilm die je met het verstand hooguit
deels kon vatten – en die juist daarom op het netvlies bleef plakken. Ga
maar na: een vruchtbaarheidsexperiment in een ruimteschip richting de
eeuwigheid, aan boord een ruimte die de ‘fuckbox’ wordt genoemd,
Juliette Binoche als sperma verzamelende dokter. Een verontrustende
bespiegeling op misschien wel het grootste taboe: incest als
overlevingsstrategie. En als baken te midden van alle ontregeling:
voormalig Twilight-ster Robert Pattinson, die voor de zoveelste keer in de jaren tien zijn tieneridoolimago de middelvinger gaf. BJB
16. An Elephant Sitting Still (Hu Bo)
Wil
je een film op de juiste waarde schatten, dan helpt het vaak om de
regisseur te ‘vergeten’, zodat de beelden en geluiden voor zichzelf
kunnen spreken. Dat geldt tot op zekere hoogte ook voor dit bijna vier
uur durende, intens zwaarmoedige en tegelijkertijd verpletterend fraaie meesterwerk rond
enkele wanhopige zielen die op verlossing hopen in een grauwe Chinese
industriestad. Maar toch: het besef dat cineast Hu nog vóór de Berlijnse
wereldpremière een eind maakte aan zijn leven, 29 jaar oud nog maar,
zorgt voor een laag tragiek die de film des te schrijnender en bozer
maakt. Met die kennis in je achterhoofd transformeren de lange, zeer
beheerst geregisseerde shots tot stille noodkreten. KT
15. Vice (Adam McKay)
Alles wat op papier saai klinkt – Dick Cheney, achterkamertjespolitiek, nog meer Dick Cheney – bruist en sprankelt in Vice, een staalkaart aan moderne verteltechnieken. Regisseur en scenarioschrijver Adam McKay bewees met The Big Short (2015, over de financiële crisis) al eens dat hij lastige materie heel behapbaar en zelfs amusant kan maken. Vice
heeft ook nog eens fantastisch acteerwerk te bieden, met alleskunner
Christian Bale voorop. Hij lijkt als twee druppels water op de echte
Cheney, de vicepresident die achter de schermen bij president Bush jr.
de dienst uitmaakte. Verontrustende kost, en een onontbeerlijke les
moderne geschiedenis. PK
14. Beats (Brian Welsh)
De
rij voor de wereldpremière in de Rotterdamse Schouwburg tijdens het
lokale filmfestival leek op die voor een technoclub: jonge mensen,
trappelend van energie, in de startblokken om de remmen los te laten. Ze
wisten precies waarvoor ze kwamen: de Schot Brian Welsh probeerde het
vuur te verfilmen dat hij in de jaren negentig zelf had ervaren toen hij
op een avond als 16-jarige op een rave was beland. Zijn Beats bleek
een schot in de roos: geslaagd als portret van een generatie jonge
Britten die zich in de jaren na Thatcher via spannende, nieuwe
elektronische muziek van het burgermansjuk hoopten te bevrijden, uniek
als gloedvolle verbeelding van een nacht dansen op xtc. BJB
13. Joker (Todd Phillips)
Goed, Joker was niet van hetzelfde kaliber als de filmklassiekers (Taxi Driver, King of Comedy)
waaruit Todd Phillips zo overduidelijk put in zijn inktzwarte komedie
over psychopathie in een empathieloze wereld. Maar zijn prequel over de
wordingsgeschiedenis van Batmans aartsvijand, die het midden houdt
tussen realisme en cartoon, is wel een van de best gelukte
filmexperimenten van 2019. Uitgerekend in het jaar waarin de
Marvelstudio met Avengers: Endgame de kroon plaatste op het
superheldenvlechtwerk, mept concurrent DC Comics terug met een
gedurfdere comic-interpretatie. De boodschap – ruim 1 miljard dollar aan
de kassa, bij een budget van 55 miljoen dollar – kwam aan in Hollywood.
Dat massale superheldenpubliek valt dus ook te verleiden voor een ander
type cinema. Mede dankzij de geniale Joaquin Phoenix natuurlijk, memorabel kronkelend als die Joker, de zieke geest in een zieke samenleving. BB
12. Eighth Grade (Bo Burnham)
Wie
iets van de belevingswereld van een jonge tiener anno 2019 wilde
proeven, werd dit jaar op maat bediend door het intelligente en frisse Eighth Grade.
Deze film van een van de eerste grote YouTube-sterren (Bo Burnham,
inmiddels komiek, muzikant en nu dus ook speelfilmregisseur en
-scenarist) betekende de doorbraak van actrice Elsie Fisher. Zij speelt
de aandoenlijke rol van Kaya, een onzeker pubermeisje verdwaald in
stuntelige vlogs en lange scrollsessies op Instagram. Filmmakers hebben
weleens de neiging neer te kijken op jongens en meisjes als Kaya, die
verliefd zijn op hun telefoon en sociale media, maar niet Burnham. Die
kiepert je niet alleen linea recta het puberbrein in, maar roept die
wereld ook echt tot leven. Wat een verademing. BJB
11. Toy Story 4 (Josh Cooley)
Wat Star Wars niet was gelukt (afsluiten met een hoogtepunt), deed Pixar wel met de finale van Toy Story.
Alles leek al wel ontgonnen, in de eerdere animatiedelen over dat
levende speelgoed, maar toen was er de plastic spork met opplakogen. Het
blijft verwonderen hoeveel emotie Pixar perst uit wat tekenfiguurtjes,
zonder toevlucht tot sentiment. Cowboypop Woody, die moet leren zich
niet zo vast te klampen aan zijn positie van ‘natuurlijke’ leider van
het speelgoed, zo wijs en ontroerend ingebed in een sprankelend avontuur
voor alle leeftijden. Als we Star Wars een kinderfilm voor volwassenen noemen (zonder dedain, George Lucas zegt het zelf ook), is Toy Story de volwassenenfilm voor kinderen. BB
10. Dolor y gloria (Pedro Almodóvar)
Fysieke
aftakeling, eenzaamheid: de ouderdom is geen zegen voor filmmaker
Salvador Mallo (Antonio Banderas, op weg naar zijn eerste
Oscarnominatie), het alter ego van Pedro Almodóvar in het betoverend
mooie, soms ook rauwe Dolor y Gloria, zijn meest autobiografische film tot nu toe.
Het is een rijke, slim geconstrueerde vertelling over zijn jeugd, de
band met zijn moeder, een verloren liefde en verslaving. Almodóvar is
niet alleen een groot regisseur, maar ook een groots kunstgenieter en
curator, zoals blijkt uit de aankleding van al zijn films. Dolor y gloria
is tot de nok toe volgestopt met zijn persoonlijke favorieten uit de
schilderkunst, literatuur, muziek en mode. Dat is genieten. PK
9. The Irishman (Martin Scorsese)
Goed, je moet wat geduld hebben met de mannen om wie het 3,5 uur lange The Irishman
draait. Historische interesse helpt ook, voor de zaak rond Jimmy Hoffa,
de populaire Amerikaanse vakbondsleider die innige banden had met de
maffia en in juli 1975 spoorloos verdween. En ten slotte moet je de ogen
enigszins sluiten voor het baanbrekende, maar nog relatief primitieve
digitale proces waarmee de acteurs werden verjongd. Als dat allemaal
lukt, is er maar één conclusie mogelijk: The Irishman is een geweldige film,
melancholiek, gelaagd en scherp. Het is heerlijk om Robert De Niro, Al
Pacino en vooral Joe Pesci zo in vorm te zien. Scorsese is en blijft een
meesterverteller. PK
8. Lazzaro felice (Alice Rohrwacher)
De
Italiaanse cinema kent een rijke traditie van zowel rauw realisme als
filmmagie. Alice Rohrwacher versmelt in haar werk die twee uitersten als
geen ander, zo ook in deze zachtmoedige parabel over een groep moderne
lijfeigenen. Volkomen vanzelfsprekend laat ze Lazzaro,
een jongeman zo lief en naïef dat hij er iets heiligs van krijgt, uit
de dood verrijzen en jong blijven. En wanneer hij en zijn
medeverschoppelingen worden weggejaagd uit de kerk waar hij slechts het
orgelspel wilde bewonderen, zweeft de muziek uit sympathie weg uit de
kerk, achter hen aan, de straat op, als een akoestisch vliegend tapijt.
En dat in een film die óók een precies afgewogen aanklacht tegen
uitbuiting is. Waanzinnig knap. KT
7. Once Upon a Time... in Hollywood (Quentin Tarantino)
Toen
regisseur Quentin Tarantino aankondigde dat hij bezig was aan een film
over de vermoorde Sharon Tate en dat hij de première wilde laten
samenvallen met haar sterfdatum – geinig toch? –
waren de reacties zacht gezegd gemengd. Wat zou de regisseur, met zijn
voorliefde voor expliciet geweld, maken van een film rondom de
Manson-moorden, waarbij onder anderen Roman Polanski’s hoogzwangere
partner op gruwelijke wijze was omgebracht? Nou, een heerlijke ode aan
het Hollywood van 1969, waarin Tarantino de verheerlijking van geweld
bevraagt en/of viert. Net zoals de symboolfunctie van Tate, die hier bijna woordloos rondhuppelt als de fantasievrouw die ze altijd al was. FS
6. Sorry We Missed You (Ken Loach)
Met
bestelschaamte de bioscoop uit: Ken Loach (83), de meest
onverbiddelijke socialist onder de cineasten, kreeg het voor elkaar met
zijn razend effectief in een drama gegoten pamflet Sorry We Missed You.
Zie dat sympathieke, met geldnood kampende Britse gezin kapotgaan als
vader Ricky aan de slag gaat als bestelbuskoerier, met zo’n desastreus
nulurencontract. Vastgesnoerd en uitgebuit door de moderne gig-economie,
die onderbetaalde werknemers voorhoudt dat ze ‘zelfstandig’ zijn, ja
zelfs heuse ‘franchiseondernemers’. ‘Urgent’ is een te vaak gebezigd
begrip in de kunstkritiek – maar soms dekt de term exact de lading. BB
5. Monos (Alejandro Landes)
De
Engelse componist en musicus Mica Levi weet met haar soundtracks steeds
weer unieke klankuniversums te scheppen. Muziek waarvan je denkt:
zoiets heb ik nog nooit gehoord. Dat deed ze voor Jonathan Glazers
sf-thriller Under the Skin (2013) en Pablo Larraíns biopic Jackie (2016), en dit jaar ook weer voor het verpletterende, op je zintuigen inbeukende Monos.
Levi’s etherische fluitjes, donderende percussie en onaardse synths
volgen geen duidelijk narratief plan, maar verzinken vervreemdend in het
sowieso voortreffelijke geluidsontwerp. Daarmee verlenen ze een haast
instinctief, driftmatig fundament aan de film. Dus zó klinkt het,
wanneer piepjonge paramilitairen alle remmen losgooien en hun verstand
verliezen in de Zuid-Amerikaanse jungle. KT
4. Marriage Story (Noah Baumbach)
Het
begint met een vriendelijk gesprek tussen twee slimme, rationele
mensen. Maar dan zegt hij precies dát waar hij haar mee op de kast
krijgt. En haalt zij nog maar eens een oude koe uit de sloot. En bam,
dan staan ze schreeuwend tegenover elkaar, stekend in elke zwakke plek
die ze van elkaar kennen. Onvergetelijk, die ruziescène in Marriage Story – nu al gretig opgevoerd in internetmemes. Fenomenaal geacteerd door Adam Driver en Scarlett Johansson, en schitterend geregisseerd door
Noah Baumbach, die als kind van gescheiden ouders zelf precies weet hoe
zulks werkt en een nieuwe echtscheidingsklassieker afleverde. FS
3. The Favourite (Yorgos Lanthimos)
De
pruikentijd op zijn potsierlijkst: wat een recalcitrante, grappige en
verrassende draai gaf de Griek Yorgos Lanthimos aan het
kostuum-gááp-drama. The Favourite is smullen: je kunt je
verlustigen aan spectaculaire decors, seks, jaloezie, machtsspelletjes,
verraad, vulgariteiten en vooral aan Olivia Colman. Met haar rol als
pruilende, kinderlijke koningin won ze volledig terecht een Oscar.
Momenteel zou Lanthimos zich bezighouden met de verfilming van The Hawkline Monster,
dat wordt omschreven als ‘een fascinerende hybride tussen western,
horror, fantasy en surrealistische komedie’. Veel regisseurs hebben hun
tanden er al op stukgebeten, maar voor Lanthimos moet dat een makkie
zijn. FS
2. Portrait de la jeune fille en feu (Céline Sciamma)
Het eerste beeld van Portrait de la jeune fille en feu toont
een hand die een gezicht schetst. Een wit vel en dan de eerste grove
lijnen, de contouren, in houtskool. ‘Ik sluit vanaf het begin een pact
met de kijker’, zei de Franse filmmaker Céline Sciamma in de Volkskrant,
over de subtiele wijze waarop ze haar intieme portret van de
onmogelijke liefde tussen twee vrouwen in de 18de eeuw opbouwt. ‘Dít is
wat we gaan doen, zeggen die beelden.’ Laag na laag na laag voegt ze
vervolgens toe, in een film die je uitnodigt om echt te kijken, om de
personages af te pellen, zoals schilder Marianne dat doet met haar
model, de adellijke Héloïse. Sciamma, met haar eerdere films ook al zo
goed en vanzelfsprekend in het broodnodige verfilmen van een vrouwelijk
perspectief, wist zichzelf te overtreffen. BJB
1. Parasite (Bong Joon-ho)
Over
de beste film van het jaar valt van alles te zeggen. Maar regisseur
Bong Joon-ho smeekte iedereen dit niet te doen. Want zijn meesterlijke,
tussen allerlei filmgenres bewegende sociale horrorkomedie puilt uit van
de potentiële spoilers. In elke nis, elk hoekje of vertrek van die
majestueuze, modernistische villa waarin Parasite zich afspeelt gaat er wel eentje schuil. Of twee, of drie.
Wat
we zien? Arm en rijk, en hoe dat nooit samengaat. Arm en arm ook niet
trouwens. Wie zijn of haar positie verbetert, doet dit ten koste van de
ander.
Nihilistisch?
Zeker. Maar Bongs vernuftige, grappige en gruwelijke illustratie van
de eeuwige klassenstrijd maakt uitmuntende cinema. Hoe een straatarm
Zuid-Koreaans gezin binnendringt in het leven van een schatrijke, met de
VS gepreoccupeerde familie en dan uiterst slinks het bestaande
personeel elimineert. Niemand laat zijn acteurs, en daarmee zijn
publiek, zo soepel switchen tussen emoties als Bong, viel te lezen in de
vijfsterrenrecensie in de Volkskrant.
Bong, die begin 2020 een masterclass geeft op het Rotterdamse filmfestival en daar een speciale zwart-witversie van Parasite zal tonen, zei er dit over. ‘Ik
geloof dat Koreanen vrij plots van de ene emotie op de ander overgaan:
ze houden van scènes waarin allerlei gevoelens door elkaar worden
aangesproken.’
En: ‘Ik ben ook wel een beetje pervers, mogelijk is dit gewoon míjn humor.’ BB
Geen opmerkingen:
Een reactie posten