zondag 9 februari 2020

100 jaar Afro-Amerikaanse kunst: een kennismaking met vijf sleutelwerken

Aaron Douglas, The Judgement Day, 1927. Beeld SCAD Museum of Art
Zaterdag opent in Amersfoort de tentoonstelling Tell me Your Story in Kunsthal Kade, rondom 100 jaar Afrikaans-Amerikaanse kunst. Vijf sleutelmomenten aan de hand van vijf kunstwerken.
Dinsdagmiddag 4 februari, vier uur. In Kunsthal Kade in Amersfoort hangt een opgetogen sfeer. In het midden van de grote zaal staan vier reusachtige houten kratten, die eerder die dag zijn bezorgd. Voorzichtig wordt het ene na het andere kunstwerk eruit tevoorschijn getoverd.
Op 8 februari opent hier de tentoonstelling Tell Me Your Story, een overzicht van honderd jaar Afrikaans-Amerikaanse kunst. Het is een indrukwekkende en groots opgezette expositie waar jarenlange voorbereiding in zit. Vijftig kunstenaars. Ruim 140 bruiklenen, waarvan een groot gedeelte uit de Verenigde Staten is overgekomen, in die enorme houten kratten dus. Van een groot gedeelte van deze kunstenaars was nog nooit eerder werk te zien in Nederland.
Dat we hier in Nederland nog nooit van deze kunstenaars hebben gehoord is opmerkelijk, vertelt curator Rob Perrée. Hij volgt de Amerikaanse kunst, en de Afrikaans-Amerikaanse kunst in het bijzonder, al sinds de jaren negentig. ‘In de Verenigde Staten zijn Afrikaans-Amerikaanse kunstenaars zichtbaarder dan ooit. In tentoonstellingen, in de media, en ook op de markt, waar een enorme vraag is naar hun werk. Deze kunstenaar bijvoorbeeld’, wijst Perrée naar een schilderij van Jordan Casteel (30), een van de jongste kunstenaars in de tentoonstelling. ‘Ze is nog maar net begonnen, maar heeft al een grote solotentoonstelling in New York gehad. Het was nu al bijna onmogelijk om een werk van haar te bemachtigen.’
Bestaat er wel iets als typisch Afrikaans-Amerikaanse kunst? Niet elke kunstenaar herkent zich in dat label, geeft Perrée toe. Volgens hem gaat de tentoonstelling vooral over werken die een bepaald Afrikaans-Amerikaans zelfbewustzijn uitdragen. In de nasleep van de Harlem Renaissance en tijdens de burgerrechtenbeweging bijvoorbeeld, waren veel kunstenaars bewust bezig met het neerzetten van de Afrikaans-Amerikaanse artistieke identiteit. Bovendien, vindt hij: ‘Soms moet je iets een label geven om het zichtbaar te maken. Zolang deze kunstenaars, die zulk krachtig werk maken, in Nederland nog steeds niet worden getoond, ga ik nog even door met dat label gebruiken.’
Een kennismaking met de sleutelmomenten uit 100 jaar Afrikaans-Amerikaanse kunst, aan de hand van vijf kunstwerken.

1. Aaron Douglas, The Judgement Day (1927)

Een prachtige metafoor voor de geest van de Harlem Renaissance is het, de engel Gabriel die hier op de trompet blaast en de wederopstanding aankondigt.
In de jaren twintig van de vorige eeuw maakten Afrikaans-Amerikaanse schrijvers, muzikanten en theatermakers furore in Harlem. De New Yorkse wijk werd daarmee de bakermat van wat filosoof Alain Locke in 1925 ‘The New Negro’ noemde: de zelfbewuste, trotse Afrikaans-Amerikaan, die opkomt voor zijn rechten en zijn plek opeist. Opstaan, de wereld wacht op ons! Vanaf nu bepalen we zelf wat goed en slecht is!
Dat kunstenaar Aaron Douglas (1899-1979) deze gouache maakte als deel van een reeks illustraties bij een dichtbundel, is veelzeggend. De Harlem Renaissance is een periode waarin de Afrikaans-Amerikaanse cultuur opbloeide en (via uitgevers en tijdschriften) de weg vond naar een groter publiek, maar in de eerste plaats was het een literaire beweging. Het werk van beeldend kunstenaars was dienend: als illustratie of boekomslag.
‘Dat heeft wellicht te maken met het feit dat er onder de Afrikaans-Amerikaanse bevolking al een sterke verhalende traditie bestond’, vertelt Perrée. ‘Al tijdens de periode van slavernij werden er mondeling veel verhalen overgedragen.’ Een beeldendekunsttraditie was er niet of nauwelijks. Veelbelovende kunstenaars staken de grote plas over, naar Parijs, het centrum van de vernieuwende kunst in de jaren twintig.
Toch slaagde Douglas er in om een leidende figuur in de Harlem Renaissance te worden en een van de eerste kunstenaars die het zelfbewustzijn van ‘The New Negro’ in zijn werk een gezicht gaf. Voor zijn kenmerkende stijl liet hij zich inspireren door jazzmuziek, Egyptische muurschilderingen, en Art Deco. Zijn handelsmerk was het silhouet: geabstraheerde zwarte figuren tegen een achtergrond van transparante, licht gekleurde lagen.
Betye Saar, Sunny Land, 1998.Beeld Museum Hedendaagse Kunst De Domijnen / Robert Wedemeyer

2. Betye Saar, Sunny Land (On the Dark Side) (1998)

De generatie die tijdens of net na de Harlem Renaissance werd geboren zette de vertaling van hun idealen voort in de beeldende kunst. Waar Aaron Douglas daar in de jaren twintig al een voorzichtige aanzet voor had gegeven, werden de gebaren nu groter. Kunstenaars als Jacob Lawrence en Romare Bearden verbeeldden in de jaren dertig en veertig het dagelijks leven van de zwarte Amerikaan. Betye Saar (93) ging verder: veel van haar werk bevat een bijtende kritiek op racisme.
In de jaren zestig en zeventig maakte Saar deel uit van een groep kunstenaars in Los Angeles die assemblages maakten. Ze verzamelden alledaagse materialen en objecten en creëerden daarmee nieuwe beelden. Bij Saar gaan veel van die beelden over de positie van Afrikaans-Amerikaanse vrouwen. Het zijn parodieën op de clichébeelden die in de massamedia verspreid werden, en die vrouwen reduceerden tot dienstmeiden of wasvrouwen. The Liberation of Aunt Jemima uit 1972 is een vroeg voorbeeld daarvan. Saar nam het overbekende beeld van ‘Aunt Jemima’, een veelgeziene racistische karikatuur van een zwarte huishoudster (denk: bol, dikke rode lippen, wit schortje), en beeldde haar af met een geweer. Wasvrouw wordt militante revolutionair, een beeld dat inslaat als een bom.
Sunny Land stamt uit 1998, maar lijkt veel op die vroege assemblages. Hier krijgt de parodie een wel heel zwart randje. Op het wasbord, versierd met een Aunt Jemima-achtig figuurtje, printte Saar een afbeelding van een lynchpartij. De woorden Sunny Land (een merknaam, maar hier ongetwijfeld een verwijzing naar het zuiden van de VS) krijgen daardoor een duistere bijklank.
Wadsworth Jarrell, Revolutionary, 1972. Beeld Wadsworth Jarrell, Foto: John Lusis

3. Wadsworth Jarrell, Revolutionary (1971)

Wadsworth Jarrell (90) was lid van de kunstenaarsbeweging Africobra. Eind jaren zestig schaarden zes kunstenaars in Chicago zich achter een gemeenschappelijk doel, namelijk het ontwikkelen van een toegankelijke, herkenbare ‘zwarte esthetiek’. Als artistieke tak van de burgerrechtenbeweging wilden zij via de kunst de solidariteit onder de zwarte, voor gelijke rechten strijdende bevolking versterken.
Over de beeldtaal die daarvoor nodig was, hadden de Africobra-leden duidelijke ideeën. Die moest helder en begrijpelijk zijn, om zo veel mogelijk mensen aan te kunnen spreken. Ook de media waren bij voorkeur democratisch: veel schilderijen werden afgedrukt op posters en in de publieke ruimte verspreid.
Revolutionary van Wadsworth Jarrel is een van de bekendste voorbeelden van Africobrastijl. Het is een portret van de burgerrechtenactviste Angela Davis. Kenmerkend zijn de felle snoepkleuren, de ritmische compositie, en de speelse combinatie van tekst en beeld. De boodschap is militant, zo staat op Davis’ mouw een tekst van haarzelf te lezen: ‘Mijn leven staat in dienst van deze strijd. Als ik sterf, is dat maar zo.’
Tegelijkertijd is het werk vrolijk en uitnodigend. Daar ging het de Africobra’s ook om, zoals in hun manifest uit 1970 te lezen valt: ‘Preaching positivity to the people’.
Kerry James Marshall, Vignette, 2003.Beeld Kerry James Marshall

4. Kerry James Marshall, Vignette (2003)

In 2018 werd het schilderij Past Times (1997) van Kerry James Marshall (64) verkocht voor 21,1 miljoen dollar, een record voor het werk van een levende Afrikaans-Amerikaanse kunstenaar. Marshall is daarmee symbool komen te staan voor de groeiende populariteit van Afrikaans-Amerikaanse kunstenaars van dit moment.
Marshall brak door in de jaren negentig met schilderijen waarin hij rijke, levendige verhalen vertelt over de omgeving waarin hij, net als veel andere Afrikaans-Amerikanen, opgroeide: de zogenaamde housing projects: wijken met goedkope huurwoningen voor arme Amerikanen.
Later werd de kunstgeschiedenis zelf steeds meer het onderwerp van Marshalls werk. Of beter gezegd: de vraag hoe hij zich als Afrikaans-Amerikaanse kunstenaar tot die (westerse, witte) geschiedenis moet verhouden. In de jaren 2000 maakt hij de kunsthistorische serie Vignettes. De schilderijen tonen ‘zwarte’ mannen en vrouwen in romantische, nostalgische taferelen. Ze dansen, dartelen en huppelen door het gras, scènes die doen denken aan romantische schilderijen uit de Barok en Rococo. Of hij koos Bijbelse taferelen als uitgangspunt, net als de meesters van de Renaissance.
Bovenstaand schilderij uit Vignette verwijst naar de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs, zoals geschilderd door de renaissanceschilder Masaccio. Marshall neemt de gedetailleerde manier waarop Masaccio de lichamen van zijn Adam en Eva schilderde over: het is haast een lesje in anatomie, zo duidelijk kun je elke spier zien zitten. Ook de theatrale houdingen doen denken aan het origineel. Juist doordat hij qua stijl en onderwerp zo dicht bij zijn klassieke voorbeeld blijft, valt een ding extra op: zijn Adam en Eva zijn zwart. Het is een intens, diep zwart, bijna blauw, dat in al Marshalls schilderijen terugkeert.
LaToya Ruby Frazier, Mom Relaxing my Hair, 2005.Beeld LatoYa Ruby Frazier

5. LaToya Ruby Frazier, The Notion of Family: Family Work (2014)

LaToya Ruby Frazier (38) vestigt in haar foto’s de aandacht op de blijvende ongelijkheid en schrijnende levensomstandigheden van veel Afrikaans-Amerikaanse families.
In het fotoboek The Notion of Family: Family Work (2014) richt ze haar camera op haar geboorteplaats Braddock, in de Amerikaanse Rust Belt, het zwaartepunt van de Amerikaanse industrie. Ooit was het een bloeiende industriestad, nu wordt de verpauperde stad geteisterd door werkeloosheid, giftig afval dat de bevolking ziek maakt en armoede. Door de lens van haar eigen familiegeschiedenis vertelt ze het verhaal van de Afrikaans-Amerikaanse bevolking in de stad, een verhaal over verwaarlozing en politieke onverschilligheid.
Curator Rob Perrée: ‘Fotografie speelt een belangrijke rol in de geschiedenis van de Afrikaans-Amerikaanse kunst. Het is een manier om bestaande stereotiepe beelden te corrigeren en een ander beeld te laten zien, vanuit de gemeenschap zelf. Frazier is geen buitenstaander, maar een insider die haar onderwerp op een terloopse manier laat zien. Op die manier nodigt ze je uit om deelgenoot te worden.’
De huiselijke momenten die de kunstenaar daarbij vastlegt, bijvoorbeeld in Mom Relaxing my Hair, tonen niet alleen de armoede en erbarmelijke leefomstandigheden. Ze laten ook de intieme momenten in het leven van een familie zien, zoals hier het ‘ontkroezen’ van Fraziers haar.
Tell Me Your Story: 100 jaar storytelling in de Afrikaans-Amerikaanse kunst
Beeldende kunst
Kunsthal Kade, Amersfoort
8/2 t/m 17/5

dinsdag 4 februari 2020

foodwatcher


Beste foodwatcher,

Merkfabrikanten proberen jou hun producten te verkopen door ze mooier af te beelden dan ze vaak in werkelijkheid zijn. Marketing heet dat. Voedselproducenten balanceren daarbij dikwijls op de grens tussen marketing en misleiding.
Foodwatcher Marcel Steeman maakte op ons verzoek wat eerlijkere voedselverpakkingen, met een knipoog. Wij moesten er hard om lachen. Maar uiteraard zit er een serieus probleem achter: consumentenmisleiding.



Eerlijkere verpakkingen






Bekijk ze hier



Conimex Wok Paste? Eerder glucose paste

Kijk eens goed bij de ingrediënten achterop de verpakking van deze wokpasta. Daar staat als eerste item glucosestroop vermeld. Meer suikers dan kruiden dus! En hoe Aziatisch de verpakking en merknaam ook aandoen, Conimex is oer-Hollands (het merk komt oorspronkelijk uit Baarn) en is onderdeel van Unilever.
Bekijk alle eerlijke verpakkingen


Niet zo oké hazelnootpasta

Heerlijk die gecertificeerde cacao van het UTZ-keurmerk. Dat is consumeren met een geruste gedachte. Ware het niet dat palmolie zorgt voor enorme ontbossing in Azië, met name in Indonesië. Een waarschuwingsetiket zoals op pakjes sigaretten zou wel zo eerlijk zijn... 
Bekijk nog meer #eerlijkeverpakkingen


Oplossuiker...

Denk je gezond bezig te zijn met het drinken van kruidenthee... Achterop deze verpakking blijkt dat het om slechts 1,5% kruidenextract gaat. Er zit niet eens thee in! En niet op de verpakking, maar wel op de site van Zonnatura staat te lezen: 'De druivensuiker en rietsuiker maken de thee op een natuurlijke wijze lekker zoet.' Met 92 gram suiker per 100 gram product veel te zoet in onze ogen!  
Bekijk alle eerlijke verpakkingen op onze site


Kritiek foodwatch op Actieplan Etikettering Levensmiddelen

Voedselproducenten misleiden met hun etiketten, verpakkingen en reclames. Raar maar waar: dat mag vaak gewoon. Europese en Nederlandse handhaving hapert. Foodwatch blijft zich inzetten voor strengere wet- en regelgeving. En het toezicht daarop! 
Lees hier de 9 kritiekpunten op het 'Actieplan Etikettering van Levensmiddelen 2020'



Met vriendelijke groet,
Frank Lindner,
Campaigner
Met een knipoog eist foodwatch eerlijkere verpakkingen


Wordt dit bericht niet goed weergegeven? Klik dan hier
Logo Foodwatch

L’art de gâcher sa vie selon Jean-Paul Dubois, prix Goncourt 2019

L’art de gâcher sa vie selon Jean-Paul Dubois, prix Goncourt 2019

Jean-Paul Dubois, prix Goncourt 2019, chez Drouant ce 4 novembre. (ALAIN JOCARD / AFP)

L’auteur d’« Une vie française » a été récompensé pour « Tous les hommes n’habitent pas le monde de la même façon ». On vous avait bien dit de ne pas passer à côté.

A quoi reconnaît-on un écrivain ? Ça n’a l’air de rien, mais il faut un sacré talent pour parler correctement d’un type amoureux des pneus de sa Chevrolet. Ou des « procédures de vidange » d’une piscine de « 230 000 litres bichonnés au chlore ». Ou des entrailles d’un orgue Hammond B3, « machine infernale » dont le « secret » repose sur une « alchimie entre les pignons, les champs magnétiques et les capteurs ». Ou encore de l’abominable métier qui consiste, dans les compagnies d’assurance, à « évaluer le prix des morts ». Jean-Paul Dubois est un sacré écrivain. Mais pas seulement. Parce qu’il sait qu’il y a « une infinité de façons de gâcher sa vie », il a aussi, comme son protagoniste, l’art d’« écouter crisser les âmes ». C’est donc également un vrai romancier.
Son protagoniste est né à Toulouse, comme lui, mais quand le livre commence, il a déjà très bien gâché sa vie. Paul Hansen est dans la prison de Bordeaux, qui comme son nom l’indique peu se trouve au Canada, en compagnie d’un brave biker qui menace « d’ouvrir en deux » toutes sortes de « fils de pute » et qui, accessoirement, a la phobie des souris. Ce que ce Paul Hansen fait là, on le saura à la fin de sa confession. Mais dans l’intervalle, dans cette cellule où il fait un froid de gueux, on n’a pas une page pour s’ennuyer.

« Notre juste place dans le bordel bourdonnant de la vie »

Les souvenirs remontent à la surface comme des bulles d’air venues des profondeurs, et un demi-siècle d’histoire de l’Occident défile, incarné dans des personnages difficiles à oublier : l’épouse d’un pasteur danois, qui programme tranquillement « Gorge profonde » dans le petit cinéma d’Art et d’Essai qu’elle exploite ; ledit pasteur, qui se met à jouer aux courses comme un damné, « avec ses jumelles en bavoir, sa casquette à six pans, ses informations de première mains ans doute glanées au presbytère, et cette confiance en une louche institution mise depuis longtemps à l’index par tous les Presbitary Conference United de la terre » ; une belle Amérindienne qui pilote un petit avion monomoteur au-dessus de grandes étendues sauvages.
On croise même ici une chienne bouleversante qui savait, d’un regard, « faire comprendre tout un tas de choses que les hommes ont souvent du mal à dire ». Et aussi une belle ordure, « un gommeux », un cost-killer imbibé de tout le « savoir-faire des temps modernes, mélange de familiarité et d’arrogance, de technicité et de mépris ».
Dubois a l’humanité chevillée au cœur, mais ne se fait aucune illusion sur rien. L’auteur d’« Une vie française », de « Kennedy et moi » et de « l’Amérique m’inquiète » est un philosophe capable, à travers mille détails à la fois parfaitement réalistes et totalement insolites, de « nous situer à notre juste place dans le bordel bourdonnant de la vie, à l’égal du mélèze ou du tapir, locataires d’une même cellule, inquiets de l’avenir, s’efforçant tous de croire en la bienveillance des dieux même si notre instinct nous murmurait le contraire. »
C’est certainement pour ça que son cocktail d’humour, d’intelligence et d’émotion, servi très frais avec une élégance faussement désinvolte, est encore une fois si réussi.
Tous les hommes n’habitent pas le monde de la même façon, par Jean-Paul Dubois, L’Olivier, 256 p., 19 euros.

Jean-Paul Dubois, en chiffres

Né en 1950 à Toulouse, Jean-Paul Dubois, ex-grand reporter au « Nouvel Observateur », a remporté le prix Femina 2004 avec « Une vie française » (205 000 exemplaires). « Tous les hommes... », tiré à 35 000 ex., figurait à la fois dans la sélection « L’Obs »-France Culture et dans celle de l’Académie Goncourt. Il a remporté le prix Goncourt 2019 ce 4 novembre.
LIRE AUSSI > Jean-Paul Dubois : « Je réclame le droit à la paresse, au bonheur et à la dépression »

Si Polanski recevait un César…? Nouvel Obs

Si Polanski recevait un César…

Roman Polanski, en novembre 2018, à Bydgoszcz, en Pologne. (Pawel Skraba/REPORTER/SIPA)

Nous serions gênés de voir le réalisateur célébré pendant la 45e cérémonie des César. Pourquoi ?

Imaginons un instant que Roman Polanski reçoive, le 28 février prochain, le César du meilleur film, ou du meilleur réalisateur. Il pourrait bien le mériter. Je n’en sais rien. Je n’ai pas vu « J’accuse ». Il paraît que le film est réussi. Mais posons, pour l’argument, que « J’accuse » est un chef-d’œuvre incontestable, bien meilleur que les autres films faits dans l’année. Roman Polanski, qui dans cette expérience de pensée a fait le déplacement, est appelé sur scène. La belle musique glamour des César se déclenche pendant qu’il se lève, reçoit les accolades de ses partenaires, de ses acteurs et traverse la salle. Il porte un smoking. Il embrasse le maître de cérémonie, remercie, prend sa statuette, prononce un bref discours sur, disons, l’affaire Dreyfus et ce qu’elle dit de notre temps.
Maintenant imaginons que Polanski, réalisateur de ce chef-d’œuvre total par hypothèse, soit longuement applaudi. Que la salle se mette debout. Que des cris de joie se fassent entendre. Que Polanski, répondant au triomphe, lève sa statuette en l’air et que ce seul geste provoque une salve supplémentaire d’acclamations. Imaginons que Polanski sourie, ait l’air heureux sous les hourras, et qu’il fasse une petite révérence. Voire une petite plaisanterie, bien exécutée, qui déclencherait des longs rires émus.

Qui peut assurer qu’il ne ressentira pas la moindre gêne ?

Qui, dans la salle ou devant sa télévision, même parmi ceux qui ont pris le parti de défendre Polanski et ses droits (ce qu’il m’arrive de faire), peut assurer qu’il ne ressentira pas la moindre gêne ? Qu’à tout le moins il ne verra pas là une sorte d’événement politique important (donc effrayant), porteur d’une signification autre que la simple récompense d’un travail de cinéaste ?
Si quelqu’un me disait que l’image d’un Polanski applaudi ne le glacerait pas, même pas un peu, qu’il pourrait regarder sa célébration sans avoir l’impression qu’il se passe quelque chose d’étrange, je ne le croirais pas.
Beaucoup sont révulsés par les douze nominations de « J’accuse ». De même qu’ils étaient révulsés lorsque le film est sorti, lorsque la critique en a dit du bien, lorsque les journaux ont annoncé qu’il avait attiré en salles plus d’un million de spectateurs. S’ils avaient été présents le jour où les partenaires financiers du film ont décidé de donner de l’argent à Polanski, ils se seraient soulevés.
Le 12 novembre 2019, devant le cinéma le Champo, à Paris.
Le 12 novembre 2019, devant le cinéma le Champo, à Paris.

Pourquoi un criminel ne pourrait pas être l’auteur d’un chef-d’œuvre ?

Ce que les anti-Polanski trouvent désespérant, me dit une amie anti-Polanski, c’est de voir à quel point les accusations de viols ou d’agressions sexuelles portées contre le cinéaste depuis une dizaine d’années, celles de Charlotte Lewis, Renate Langer, ou, très récemment, Valentine Monnier – sans parler des faits qu’il a reconnus concernant Samantha Geimer – passent dans les milieux cinéphiles pour une anecdote biographique sans grande importance au regard de l’œuvre. L’Académie des Césars compte 4 700 membres, et tout se passe comme si une bonne partie d’entre eux s’en foutaient. Voire tenaient à soutenir Polanski envers et contre tout, au nom d’une séparation théorique entre l’homme et l’œuvre, ou entre l’art et la morale, créant les conditions de son impunité.
Je n’arrive pas à adhérer entièrement à ce point de vue. D’abord parce que Polanski nie fermement les faits, et que cette négation doit être prise en compte. Ensuite parce que Polanski n’a pas été condamné à une interdiction de réaliser des films ou d’avoir du succès. Après tout, pourquoi un criminel ne pourrait pas être l’auteur d’un chef-d’œuvre, et admiré comme tel, par-delà son crime ?
Pour autant j’aurais du mal à regarder une standing-ovation offerte à Polanski. Je la trouverais obscène. C’est donc que, quelque part, au nom d’une règle morale extérieure au cinéma, je place une limite au succès que Polanski a le droit de rencontrer. Je ne la place pas forcément au même endroit que ses détracteurs les plus virulents. Mais j’en place une, quand même.
C’est une drôle de chose à dire : « placer une limite au succès que quelqu’un a le droit de rencontrer ». Or c’est bien de cela dont il s’agit. Ceux qui prévoient de manifester le soir des Césars pour protester contre la présence nominale de Polanski dans la compétition, ceux qui l’ont fait par le passé, ceux que le moindre éloge de son travail heurte, et heurte sincèrement, que demandent-ils ? Ils ne réclament pas l’ouverture d’une instruction après les récentes accusations parues dans la presse. Ils demandent un bannissement. Polanski peut vivre. Mais on ne veut plus le savoir. On ne veut plus voir son nom affiché dans nos rues. On ne veut plus le voir aimé, par qui que ce soit.
Le 24 novembre 2019, à Paris.
Le 24 novembre 2019, à Paris.

Nous attendons des vedettes qu’elles soient des incarnations de la vertu

Derrière le cas Polanski, il y a ce fait étrange : nous considérons la célébrité comme une élection, au sens religieux ; et nous avons des exigences vis-à-vis de l’élu. Je ne changerais pas forcément de poissonnerie si j’apprenais que mon poissonnier avait été condamné pour meurtre et qu’il fuyait la justice de son pays. Dans tous les cas je le laisserais travailler en paix et je n’exigerais pas qu’il ferme boutique. Mais je serais bizarrement moins débonnaire s’il s’agissait d’un député, d’un chanteur à succès, d’un footballeur, d’un cinéaste.
Nous voudrions - collectivement, pas tous de la même manière ou selon les mêmes critères, et sans forcément nous l’avouer ainsi - un espace public débarrassé de toute saleté. Nous ne voulons pas de violents, de racistes, de violeurs, de malhonnêtes à la télévision, dans nos journaux, nos librairies, nos cinémas.
Le présupposé de ce que les Américains nomment la « cancel culture », principe qui a par exemple valu à Polanski d’être exclu de l’Académie des Oscars au nom de « règles de bonne conduite », principe qui vaut aujourd’hui à n’importe quelle figure publique d’être haïe aussi rapidement qu’elle a été adorée, c’est que nous concédons aux bénéficiaires du vedettariat une supériorité qu’ils doivent mériter de tout leur être. Ils sont les aristocrates de la méritocratie, et le mérite qui fonde leur noblesse est envisagé au sens large. Nous leur appliquons le précepte chrétien qu’on trouvait l’autre soir dans un volume de Kierkegaard : « Celui qui pèche en une chose pèche en tout. » Nous attendons d’eux qu’ils soient des incarnations de la vertu enfin réalisée, des figures d’une humanité parfaite. Ceux qui fautent, nous les punissons. Nous les chassons de la scène, et nous enrageons s’ils ne disparaissent pas assez vite à notre goût. Ils sont les justiciables d’une seconde justice, qui n’a pas de code, pas de procédure fixée, pas de garde-fou.
Face à ce système de récompense et de punition, peu d’arguments tiennent. Que Polanski, au titre d’une philosophie libérale qui est l’honneur de notre civilisation, bénéficie de la présomption d’innocence ne tient pas. Que son film soit la somme du travail de centaines de personnes, d’acteurs, de techniciens, qui n’ont été accusés de rien et qui pourraient mériter de figurer au palmarès des Césars ne tient pas. Que les crimes dont on l’accuse remontent à 30 ou 40 ans ne tient pas. Que sa naissance et sa vie soient marquées par des drames qui rendraient n’importe qui dément, et qui pourraient le rendre éligible, maintenant qu’il est vieillard, à une certaine forme de miséricorde, ne tient pas. Que ses films ne soient pas une extension de sa vie, qu’aimer un film de Polanski ne signifie pas ratifier l’intégralité de ce qu’il est, ne tient pas. Nous sommes des justiciers extrêmement sévères, et je ne suis pas certain que cette sévérité nous honore.

Laat vluchtelingen niet eindeloos wachten!



image



'Wachten in een open gevangenis'





Kom nú in actie!


Ik wil meer weten over de actie

Kom in actie en help »



image




image



Met korting naar meeslepend toneelstuk


Kijk hier voor de theaters





Direct naar Nieuws Persoonlijke verhalen Afmelden e-mail nieuwsbrief


Laat vluchtelingen niet eindeloos wachten!


Stuur nú een bericht naar Den Haag »


Kama