donderdag 14 mei 2020

Schmidt-poezen hebben nu grimmige tronies en wulpse staarten

Kinderboek Illustrator Sylvia Weve tekende heerlijk tegendraadse katten bij oude poezengedichten van Annie M.G. Schmidt. Staan haar teksten eigenlijk nog overeind, 25 jaar na haar overlijden?
Detail uit de tekening van Sylvia Weve bij 'De hertogin van Hotemetoot'
Detail uit de tekening van Sylvia Weve bij 'De hertogin van Hotemetoot' Illustratie uit besproken boek
Annie M.G. Schmidt & Sylvia Weve: Miauw, miauw, miauw! De mooiste gedichten over poezen en andere dieren. Querido, 48 blz., €19,99

●●●●

Annie M.G. Schmidt & Fiep Westendorp: Het schaap Veronica. Querido, 120 blz. € 17,50
Wat een uitstekend idee om Sylvia Weve een bundel poezen- en dierengedichten van Annie M.G. Schmidt te laten illustreren. Weves speelse tegendraadsheid en hang naar het karikaturale past Schmidts licht anarchistische fantasiewereld geweldig goed. In Miauw, miauw, miauw!, zoals de titel van de bundel luidt, valt bovendien op hoe dicht haar expressieve stijl en doeltreffende lijnvoering eigenlijk bij die van Fiep Westendorp liggen.
Vergelijk de exuberante hoed waarmee Weve ‘de hertogin van Hotemetoot’ uit het gelijknamige gedicht heeft getooid maar eens met de door Westendorp ontworpen weelderige hoofddeksels van de dames Groen uit Het schaap Veronica, de verzamelbundel vormvaste verzen uit de jaren vijftig over het schaap oftewel ‘jongejuffrouw’ Veronica, waarvan eindelijk weer een herdruk is verschenen. Eveneens opvallend is de gelijkenis tussen de poses en mimiek van de cartooneske figuren in beide boeken: de verwantschap van bijvoorbeeld Weves goedmoedige ‘jonkheer van Emmelebom tot Zuilen’ (met zijn wagentje vol uilen) en Westendorps bebrilde en fors geneusde dominee is moeilijk te missen.

Jaren vijftig

Dat betekent niet dat Miauw, miauw, miauw! en Het schaap Veronica vergelijkbare leeservaringen opleveren. De op de jaren vijftig geënte kneuterige huis-tuin-en-keukenavonturen (ganzenbordavondjes en theevisites) van de tuttige dames Groen, de paternalistische dominee en het ‘door innerlijke drang gedreven’ schaap, komen wat gedateerd over. Een dominee op zich maakt de verzen al enigszins moeilijk herkenbaar voor 21ste eeuwse lezers. Dat hij in een borstrok rondloopt, maakt dat er niet beter op.
Toch zou je Schmidt, die op 21 mei vijfentwintig jaar geleden is overleden, tekortdoen als je zegt dat de herdruk vooral voor de door nostalgie gedreven lezer is. De zesenzeventig verzen over de dartele Veronica die uit haar keurslijf wil breken, zijn autobiografisch en hebben binnen het oeuvre van domineesdochter Schmidt een bijzondere plek: interessant voor iedere Schmidtliefhebber. Daarnaast geeft de vrolijke opstandigheid van Veronica de bundel een zekere universaliteit, temeer daar ze wordt voorgesteld als een pratend dier. Het gedicht waarin de dominee voorleest over de wolf en zeven geitjes, heeft zelfs een verrassende actuele connotatie. Wanneer Veronica de dominee beschuldigt van onzinpraat, want geiten schuilen niet in een klok, staat er: ‘Wat drommel! riep de dominee, hier heb ik toch de feiten!/ Eh, zei het schaap Veronica, de feiten zijn niet goed.’

Kouwe kak

En Schmidt blijft nou eenmaal Schmidt, dus eigenzinnig gedrag zijn de poezen, mensen en andere dieren in Miauw, miauw, miauw! ook niet vreemd. Beroemd is natuurlijk de ‘dame in Bronk aan de Rijn’ die, conform Schmidts eigen wens, liever een kat had willen zijn. Of de nuffige francofiele kat van ome Willem die sinds zijn verblijf in Parijs alleen met een ‘Franse bak’ (‘Kouwe kak!) genoegen neemt. Ronduit gezagsondermijnend is de bijenkolonie in ‘Insectenbevolkingsregister’ die de bureaucratische dierentelling dwarsboomt: de koningin heeft geen zin, en ‘lopen in rijen,/ dat is niks voor bijen’.
In Miauw, miauw, miauw! dicht Schmidt haar dieren menselijke eigenschappen toe. En ook al hebben ze soms een naam, zoals Pepijn de kat, of het fantasiebeest Max Milanus Mormeldier, het blijven dieren. Dat maakt ze anno 2020 makkelijker benaderbaar (voor kinderen) dan Veronica, die eerder een excentrieke jonge vrouw met schaapachtig gedrag is, dan andersom. Daarbij geeft Weve, die nog net wat vrijer, wilder en gekker is dan Westendorp, de bundel een eigentijds aanzien. Haar grimmige kattentronies, wulpse poezenstaarten en brutale muizen die te pas en onpas over en van de bladzijden rennen, verlevendigen de teksten optimaal. En als het versje erom vraagt laat ze haar fantasie de vrije loop. De vernuftige ‘kattenverfmachine’ bij ‘Het poesje Pieternel’ springt terecht als eerste in het oog: zo maakt Weve ook de enkele wat brave, voortkabbelende Schmidt-gedichtjes bestand tegen bezwaren.

Zo herken je een slecht gedicht / NRC

Kunt u eigenlijk een beetje dichten? Ik lees liever poëzie dan dat ik het produceer, maar als je ambities hebt, of gewoon een stille wens eens een vers te maken, lees dan zeker onze columniste en huisdocente poëzie Ellen Deckwitz. Ze is bezig aan een heerlijke serie lessen om je van poëtische drempelvrees af te helpen. Deze meest recente aflevering gaat over het herkennen van een slecht gedicht. Heel troostrijk!  
 Gedichten met Deckwitz #4 Hoe lees je een gedicht? In deze serie helpt dichter en columnist Ellen Deckwitz je van je drempelvrees af. Les 4: niet alle poëzie is goed.




Illustratie Jenna Arts



Dankzij deze rubriek heb ik bergen post gekregen en anderhalve kilo daarvan betreft de vraag of er eigenlijk wel zoiets als slechte poëzie bestaat. Sommigen denken zelfs dat ik alle gedichten mooi vind. Was dat maar zo, dat zou veel migraineremmers schelen.
Ik vind het idee achter poëzie geweldig, dat je een tekst op meerdere manieren kan lezen, hem als een spiegel of een lens kan gebruiken, dat je de klankrijkheid, mogelijkheden en belemmeringen van taal kan vieren, dat er een mysterie in kaart wordt gebracht. Maar dat wil niet zeggen dat ik voor elk gedicht meteen een fles kwaliteitscola ontkurk. Potentie is iets anders dan uitvoering.
Wat je goed of slecht vindt, is deels een kwestie van smaak en ervaring. Hoe meer je iets doet, of dat nou poëzie lezen, arthousefilms kijken of stand-upcomedy bezoeken is, hoe kritischer je kan worden. Sommige gedichten die ik vroeger te gek vond, vind ik nu flauw. En verzen die ik momenteel waanzinnig vind, kan ik om dezelfde reden over een paar jaar pretentieus of gemakzuchtig vinden.
De waardering van gedichten is een uiterst subjectieve aangelegenheid, maar goed, ik kreeg zo veel verzoeken om voorbeelden dat ik een gedicht zal behandelen dat ik zelf geen Nobelprijs waard vind. Het is van mijn eigen hand, omdat ik het lullig vind om hier anderen te roasten (daar zijn recensies voor). Bedenk dat het louter om een mening gaat, en mocht je het vers toevallig fantastisch vinden dan ben ik gewoon blij voor je, op dezelfde manier dat ik blij ben voor de huidige partners van mijn exen.

Om te beginnen loopt het ritme in dit gedicht allesbehalve soepel, het hort en stoot als een bolderkar op een mijnenveld. Bij poëzie mag je wel verwachten dat het goed bekt. Verder wordt er zo veel gebruikgemaakt van bepaalde technieken dat het geheel verdrinkt in mooischrijverij. Neem de overtollige alliteraties („vlinders fladderen verloren”), de archaïsche taal als „verbruid” of „nochtans”. Je krijgt het gevoel dat het er alleen maar staat om gedichterig over te komen.
Dan de beelden. Vlinders komen al zo vaak voor in liefdesgedichten dat ik als lezer dan denk van ja, hallo, beetje meer originaliteit graag. Verder zijn er onzorgvuldigheden.
Een vlinder wappert niet, hij vliegt, fladdert of dartelt. Als je verliefd bent, zitten de vlinders in je buik, maar hier maken ze een omweg om in het hoofd nog even een liefdesbrandje (cliché!) te blussen. En dan puilt de boel ook nog eens uit van de sentimentaliteit: iemand die van verdriet niet meer kan praten, iemand die denkt dat het de laatste kans was, zonder dat de lezer erachter komt wat er nou precies is gebeurd. Je hebt het maar gewoon aan te nemen.
Het vermoeden ontstaat dat dit vers alleen maar dóét of het een gedicht is, door de geforceerde taal, de onnodige regelafbrekingen, de afgezaagde symboliek in combinatie met het onderwerp. Dat wil overigens niet zeggen dat gedichten met alliteratie, vlinders of klankbreuken per definitie slecht zijn. Het gaat om dosering en combinatie, net zoals een vreselijk gerecht kan bestaan uit ingrediënten die afzonderlijk heerlijk zijn.

Dat ik dit anno 2020 een zwak vers vind, neemt trouwens niet weg dat ik aan het maken destijds veel heb gehad: ik schreef iets van me af en dat bood inzicht en afleiding (het lijkt misschien een beetje oneerlijk dat ik het schrijfwerk van mijn jongere zelf zo afval, maar dit gedicht droeg ik een maand na het schrijven al voor ter vermaak aan mijn vrienden. Lachen om je ellende kan zeer heilzaam zijn).
Wat je een slecht gedicht vindt, is een kwestie van persoonlijke voorkeur, levenservaring en mode. Toen Mei van Gorter uitkwam vond de gevestigde orde der poëzierecensenten het oeverloos gezwam. Een lentemaand met ADHD. De jonge garde dichters vond het juist waanzinnig.
Ik vind het een geruststellende gedachte dat je mening door de jaren heen verandert. Iets wat je eerder niet aansprak, kan je opeens volop raken. Iets wat je mooi vond, kan zijn gloed verliezen zodat er weer ruimte komt voor iets nieuws. En zo blader en wapper je verder, op zoek naar vleugels die je wél waardeert en die je weer even meevoeren, ergens anders heen.

Kabinet, zet de crisis-miljarden groen en eerlijk in!

Kabinet, zet de crisis-miljarden groen en eerlijk in!

Miljarden euro’s worden nu vrijgemaakt. Ik wil dat deze noodinvesteringen slim gebruikt worden: we houden niet de grote vervuilers uit de wind, maar we zetten ons geld in om mensen en natuur te beschermen. Zo pakken we samen de problemen van vandaag én van morgen aan.
Bedankt!
Wil je meer doen? Steun de campagne met een donatie of deel de petitie!

Hoe wil jij dat morgen eruit ziet?

Zie je wat wij zien? Nu onze samenleving hard wordt getroffen door het coronavirus, voeren saamhorigheid en solidariteit de boventoon. In deze nieuwe realiteit staan mensen nu op de eerste plaats: collectief blijven we thuis om de ander te beschermen. Miljarden euro’s worden vrijgemaakt om mensen te helpen – en om bedrijven overeind te houden.

Bij eerdere crises zagen we dat vervuilende en verwoestende industrieën zo snel mogelijk weer op stoom werden gebracht. Laten we dit keer afspreken dat we de crisis-miljarden slimmer gaan gebruiken. Dus niet alleen de problemen van vandaag oplossen, maar óók de problemen van gisteren en morgen die gewoon doordenderen. Zoals de klimaatcrisis.

Deze crisis dwingt ons om thuis te blijven, maar niet om niks te doen. We kunnen ook nu samenwerken.

Samen vragen we het kabinet om met ons deze afspraken te maken

Afspraak 1: Kies voor mensen, niet voor multinationals

Afspraak 1: Kies voor mensen, niet voor multinationals

Deze crisis draait om mensen, niet om aandelen. Worden bedrijven financieel gesteund door de samenleving? Dan mag er niemand ontslagen worden. En zorg ook voor zekerheid bij flex-werknemers en ZZP-ers.
Afspraak 2: Zet groene en sociale banen voorop

Afspraak 2: Zet groene en sociale banen voorop

Nieuwe windmolens schieten als paddestoelen uit de grond en we leggen daken vol met zonnepanelen. Al dat werk draait op mensen. En ondertussen waarderen we – meer dan ooit – de helden die onze zorg draaiend houden en onze kinderen onderwijzen. Laten we juist nu investeren in groene en sociale banen.
Afspraak 3: Investeer in onze planeet

Afspraak 3: Investeer in onze planeet

Deze aarde is alles wat we hebben. Daarom is een economie nodig die de harmonie tussen mensen, dieren en natuur niet verstoort. Dit betekent dat alle financiële steun in lijn moet zijn met het Klimaatakkoord van Parijs en de internationale regels om de natuur wereldwijd te beschermen en te herstellen.
Afspraak 4: Luister naar de wetenschap

Afspraak 4: Luister naar de wetenschap

Medici, klimaatpanels en gerenommeerde wetenschapsinstituten vertellen ons dagelijks hoe het met de wereld gaat. Dankzij hun gedegen onderzoek weten we wat er nodig is om problemen te kantelen. We kennen de oplossingen, nu is het tijd daarin te investeren.

Schiphol / Greenpeace

© Greenpeace
GEEN POEN ZONDER GROEN - Kijk NU live mee met onze actie!
Beste Brigitte,

Vandaag valt er eindelijk weer iets te spotten op de landingsbaan van Schiphol: geen vliegtuigen, maar fietsende actievoerders! Het is oneerlijk dat een grote vervuiler als KLM staatssteun krijgt zonder dat daar klimaatvoorwaarden aan vast zitten. Iedereen moet bijdragen aan een duurzamere, groene samenleving. Oók KLM.

We kunnen niet samen de straten op, maar we kunnen wel samen onze stem laten horen.
Geen blanco cheque
De overheid maakt nu miljarden vrij voor het bedrijfsleven. Heel goed, maar laten we dat gemeenschapsgeld dan ook gebruiken om onze samenleving groener en eerlijker te maken. Als jij geld leent van de bank, krijg je toch ook geen blanco cheque?

Banen behouden en verduurzamen
De tijd is voorbij dat het kabinet grote vervuilers uit de wind kan houden met ons belastinggeld. In ruil voor dat geld, moeten bedrijven banen behouden én hun bedrijf verduurzamen. Dat helpt ze niet alleen door deze economische crisis heen, maar ook door de klimaatcrisis. Als het kabinet voorwaarden stelt aan financiële steun, kunnen we investeren in banen, bedrijven en sectoren die meewerken aan een groene en eerlijke toekomst.
 
Meer doen dan meekijken?
√Roep het kabinet op met een e-mail of tweet: geen poen zonder groen!
√Meer dan 35.000 mensen tekenden onze oproep aan het kabinet. Staat jouw naam al onder de oproep? Teken de petitie!
 
 
Met vriendelijke groet,
Dewi Zloch
Campagneleider

dinsdag 12 mei 2020

« Il n’y aura pas de masques » : Fred Vargas avait tout compris avec sa « cape antivirus »

« Il n’y aura pas de masques » : Fred Vargas avait tout compris avec sa « cape antivirus »

En 2006, convaincue du risque d’une épidémie majeure, la romancière de « Pars vite et reviens tard » avait conçu une cape qui faisait beaucoup ricaner, mais paraît aujourd’hui extraordinairement visionnaire.

Temps de lecture 4 min
Fred Vargas, en 2006, interrogée par Thierry Ardisson. (Vidéo INA / Capture d'écran.)
« Il n’y aura pas de masques » : Fred Vargas avait tout compris avec sa « cape antivirus »
Pour les non-initiés, Fred Vargas est une femme, comme son nom de l’indique pas, et un maître du polar – mais peut-être faut-il dire « maîtresse », c’est à chacun de voir. Depuis « l’Homme aux cercles bleus » (1991) et « Pars vite et reviens tard » (2001), parus aux Editions Viviane Hamy, son placide commissaire Adamsberg est en bonne place dans la fantasmagorie policière et, d’un roman à l’autre, il séjourne sur des millions de tables de chevet, des séjours brefs tant ces livres-là n’attendent pas. Aujourd’hui, tandis que l’intéressée se tient en retrait de la vie médiatique, peu désireuse de commenter l’étrange affaire qui nous confine ou les aléas de sa propre réclusion, une archive sort des profondeurs du web et de l’INA et commence à circuler sur les réseaux sociaux.
On y voit Fred Vargas sur un plateau de télévision en 2006, interrogée par un Ardisson onctueux et carnassier au sujet d’une invention qui fait alors grand bruit : la « cape antivirus ». Dans une marinière toute simple, tour à tour grave et mutine, la romancière explique qu’en cas de pandémie il serait fort déraisonnable de s’en remettre à l’Etat.
« Il faudra qu’on puisse être autonomes, ne pas se mettre dans les mains du gouvernement, qui ne pourra pas alimenter les gens en quarantaine vu qu’il n’y aura pas de masques. »Pour elle, ce qu’il faut d’urgence, c’est « un truc qu’on puisse fabriquer à la maison ».
Regardez donc, et écoutez bien, à partir de la minute 13’12 :

« L’âme lourde » de l’humanité

Pour comprendre ce qui se joue ce soir-là, il faut remonter le temps et faire halte en 2004, l’année où une grippe aviaire, celle des oiseaux sauvages et domestiques, apparaît sous une forme inquiétante, estampillée H5N1, susceptible de muter, comme l’annoncent les savants de l’OMS. Si le passage du virus se fait d’homme à homme, la pandémie pourrait être dévastatrice. L’imagerie glaçante de la grippe espagnole colonise les esprits et les réseaux sociaux, en plein essor.
Il se trouve qu’à ses heures perdues Fred Vargas a écrit, peu de temps avant, un court essai tragi-comique intitulé « Critique de l’anxiété pure » (Flammarion) et qu’elle redouterait presque davantage les effets effroyables de la panique, si une pandémie venait à survenir, que la pandémie elle-même. L’éducation qui se dissout dans la terreur à la faveur d’un événement et tourne à la barbarie, elle appelle ça « l’âme lourde » de l’humanité. Alors chez elle, à deux pas du cimetière du Montparnasse, elle se met au travail et, pendant des mois, ne fait que ça. Elle lit tout ce qui se peut lire, à toute allure, sur les virus en général et H5N1 en particulier, et évalue à 90 % le risque de mutation d’ici à cinq ans. Adamsberg attendra pour d’autres aventures.
Voici son appartement transformé en cellule de crise pour répondre à ce qu’elle appelle « l’imprévoyance » de l’Etat. Elle pense que l’essentiel est de disposer d’objets simples « à basse technologie », et tout d’abord d’une protection pour sortir sans peur faire les courses, entrer dans la chambre d’un malade, vaquer à quelque occupation essentielle. Ce sera une cape en plastique, transparente pour que le monde ne ressemble pas à un champ de corbeaux. Le prototype, elle l’imagine d’abord avec une cagoule, puis un tuba intégré qu’elle teste en famille. A l’arrivée, la combinaison ressemble plutôt à un habit d’apiculteur, qui descend jusqu’aux pieds, avec une ceinture à ajuster au milieu de la foule, quand le risque de contamination augmente, afin d’empêcher que les particules ne s’infiltrent par le bas, et une fermeture éclair au niveau du menton. C’est la « cape anti-H5N1 », la fameuse.

Une cape à la portée des plus pauvres

L’affaire fait grand bruit et causer dans les dîners en ville. Les ricaneurs ricanent, eux qui se mouillent mais sous leur douche. Fred Vargas a pourtant toute légitimité pour prendre part à une réflexion d’intérêt général. C’est une scientifique décorée de bronze par ses pairs. Pendant vingt ans, elle a été chercheuse au CNRS. Elle est archéologue, spécialiste du Moyen Age et des épidémies justement. En 2003, elle a publié « les Chemins de la peste. Le rat, la puce et l’homme » aux Presses universitaires de Rennes – 400 pages, signées de son vrai nom, Frédérique Audoin-Rouzeau.
Son idée d’ailleurs est examinée avec intérêt. Le Pr Jean-Philippe Derenne, alors chef de service de pneumologie à l’hôpital de la Pitié-Salpêtrière, voit en elle un esprit scientifique pertinent et l’aide à comprendre la dynamique de l’aérosol, la diffusion du virus par la parole, la toux, les éternuements. Fred Vargas poursuit son aventure de cape et d’essais au ministère de la santé où elle arrive avec un prototype qu’elle enfile devant Xavier Bertrand, qui lui-même en parle en commission parlementaire. Le directeur général de la Santé pense que son invention mérite qu’on mène des expériences. Deux prototypes seront bientôt testés dans le très sérieux Laboratoire national d’Essais. Fred Vargas voulait mettre sa cape à la portée des plus pauvres. « Dans toutes les épidémies, ce sont eux qui trinquent », disait-elle cette année-là.

maandag 11 mei 2020

Joke Hermsen: ‘Als we al ergens zijn, dan is het in de tijd’

Joke Hermsen: ‘Als we al ergens zijn, dan is het in de tijd’

De lockdown, hoe ‘intelligent’ ook, gaat aan de haal met ons tijdsbesef. Weet je ook niet meer welke dag het is? Volgens filosofe Joke Hermsen is dat juist goed.
©Hollandse Hoogte / Nederlandse Freelancers
Is het vandaag? Of gisteren? En welke dag is het eigenlijk? Maandag, dinsdag, zaterdag? Of 1982? Het zijn vragen die in memes op het internet rondgingen de afgelopen weken, en die erop duiden dat we door corona en de lockdown en masse het gevoel voor de tijd verliezen. Ook filosofe Joke Hermsen, die al jaren denkt en schrijft over tijdsbeleving. “Ja, ik herken die vreemde gewaarwording zeker.”
“Mijn zoontje stelde toen hij vier was ook zo’n moeilijke vraag: ‘Is het nu morgen of gisteren?’ Hij probeerde het echt te begrijpen. Het ‘nu’ is ook lastig uit te leggen, omdat het altijd al geweest is zodra je erover spreekt. Het ‘nu’ is eigenlijk een raadsel van ons westerse denken, waarin we tijd als iets lineairs zien: de kloktijd, waarbij het verleden achter ons ligt, en de toekomst voor ons. In andere culturen heb je het principe van circulaire tijd, daar rolt het verleden als het ware door, de toekomst in. De Griekse filosofen beschreven dat alsof de toekomst juist achter je ligt en je de voortstromende rivier van de tijd in duwt. Heel andere metaforen.”
Wat is er door corona veranderd aan onze tijdsbeleving?
“Ken je die grap over de Titanic? ‘I’ve ordered some ice. But this is ridiculous.’ Iets dergelijks overkomt ons nu met de tijd. We leven onder een grote tijdsdruk, en kunnen een beetje rust wel gebruiken. Maar deze overdaad van rust en nietsdoen was voor velen te veel van het goede. Van de ene op de andere dag kregen we zeeën van tijd. Het schudde onze tijdsbeleving op, en maakte allerlei vragen los. Wat is tijd? En van wie is de tijd?”
Nou, wat denkt u?
“Ik heb een aantal essays over de tijd geschreven, maar het mysterie van de tijd heb ik niet ontrafeld. Zelfs een kernfysicus kan geen alomvattende definitie van de tijd geven. Maar we kunnen wel iets zeggen over onze tijdsbeleving. Waarom zijn we op zo’n gespannen voet geraakt met de tijd? Waarom denken we zo vaak dat we te weinig tijd hebben?
“Dat gevoel van schaarste is eind negentiende eeuw met de industrialisering begonnen, en het is de afgelopen decennia alleen maar erger geworden. Een van de verklaringen is dat de kloktijd de hoogte van ons salaris ging bepalen: we werden immers betaald voor het aantal gewerkte uren. En dus werd tijd geld, en kon er ook winst behaald worden als er op die tijd bespaard kon worden, als hetzelfde werk in minder uren verricht kon worden. Zo werd die kloktijd al gauw datgene wat ons opdreef en stress veroorzaakte, hetgeen binnen de neoliberale samenleving, waar de mens vooral vanuit economisch perspectief wordt beschouwd, versterkt werd.
Als tijd geld is geworden, dan is de tijd niet meer van jou. Dan is tijd iets wat vooral aan werken, verdienen en het werkwoord ‘hebben’ wordt verbonden. Dat is in mijn optiek een reductie. Want we zijn bovenal ook tijd. Tijd is het fundament onder ons bestaan. Als we al ergens zijn, dan zijn we in de tijd. Ik denk dat we naar een nieuw perspectief moeten, waarin het werkwoord ‘zijn’ weer aan de tijd verbonden wordt. We moeten de tijd die van ons vervreemd is geraakt, omdat hij het meetinstrument voor ‘hebben’ werd, weer terug zien te vinden.”
En hoe doe je dat?
“Het geldt misschien niet voor iedereen, maar deze overdaad van tijd waarin we onwillekeurig door de lockdown verzeild raakten, maakt de kans op een innerlijke of persoonlijke ervaring van tijd mogelijk, die losstaat van economie, geld, drukte en stress. We kunnen die andere ervaring van tijd op het spoor komen als we niet economisch ‘rendabel’ hoeven te zijn. Het is moeilijk te beschrijven, maar denk bijvoorbeeld aan wat er gebeurt met je ervaring van tijd als je in een muziekstuk of een verhaal of een mijmering opgaat. Dan ben je even niet met tijd hebben bezig, maar verlies je je in het moment zelf, een eeuwigdurend ogenblik, waarbij je de kloktijd bent vergeten. Zulke momenten van aandacht kun je op velerlei wijze creëren: door te wandelen, te dagdromen, te mediteren, te zingen, een goed boek te lezen, te tuinieren, wat dan ook. Zolang je maar niet bezig bent met het economisch rendement van tijd hebben, tellen of meten.
“Het gaat volgens de klassieke Griekse filosofen altijd om het vinden van een juiste balans tussen zelf tijd zijn, wat ook wel de Kairostijd genoemd wordt, en tijd hebben, de Chronostijd. Chronos is de Griekse god van de lineaire, meetbare tijd, die werd afgebeeld met een zandloper en een zeis. Hij belichaamt de tijd die wegtikt, dus de portie tijd die we ‘hebben’, en staat dus ook voor het besef van onze sterfelijkheid. Omdat we weten dat aan het eind van die lijn de zeis van Chronos staat te wachten, kan dat weemoed, melancholie en ook tal van angsten ontketenen. Afgelopen weken hebben we gemerkt dat ons besef van sterfelijkheid, en dus van Chronos, zwaar op onze schouders weegt. We hebben die ‘eeuwigdurende momenten’ van schoonheid en liefde van Kairos nodig om daar niet aan onderdoor te gaan.
Denkt u dat mensen zich nu anders tot de tijd gaan verhouden?
“We hebben niet vrijwillig voor deze lockdown gekozen, en dus valt het nog te bezien in hoeverre mensen zich voor een andere ervaring van tijd hebben opengesteld. Het kan juist ook tot veel onrust en ongeduld hebben geleid. Maar misschien hebben ook meer mensen de zegen ervaren van niet economisch te hoeven presteren. Misschien zijn meer mensen zich van de tijd die ze zelf zijn bewust geworden en hebben ze daardoor ook meer oog gekregen voor zaken die er werkelijk toe doen en niet in geld zijn uit te drukken.”
“Wat we niet moeten vergeten is dat verandering vanuit de mensen zelf moet komen. Maar daarvoor moeten ze dus wel de ‘tijd’ krijgen. Ik zie ook om me heen dat juist deze tijd veel initiatieven voor een betere, meer duurzame wereld heeft losgemaakt. We hebben ervaren hoe bedreigend de natuur kan zijn als deze door ons uit het evenwicht wordt gebracht. We zullen ons gedrag moeten veranderen: minder willen ‘hebben’ en meer willen ‘zijn’. We kunnen niet meerdere keren per jaar met het vliegtuig op vakantie en niet elke tien jaar een nieuwe keuken aanschaffen, we worden er uiteindelijk ook niet gelukkig van.
“We hebben nu zes weken lang geleerd om qua ‘hebben’ een stap terug te doen. We konden niet eens op een terrasje zitten. Hopelijk leert deze periode van onthouding onze aandacht op meer structurele wijze naar ‘zijn’ te verleggen. Dat wil zeggen naar ervaringen die er werkelijk toe doen: aandacht, verbinding, inspiratie, reflectie. Het voelt een beetje als een collectief momentum, en dat is per definitie niet iets wat je in je eentje ervaart. Integendeel, het is een door een grotere groep gedeeld tijdsbesef. Ik denk dat veel mensen het anders willen. Wel, nu kunnen we het tij keren.”

Lees ook:

De coronacrisis laat zien: de wereld kan beter. Gaat ons dat lukken?

Is de coronacrisis een kans om de wereld te verbeteren, vraagt het filosofisch elftal zich af. Of is dat naïef utopisme?

vrijdag 8 mei 2020

Het beroemde imaginaire museum van André Malraux nodigt nu meer dan ooit uit tot navolging

André Malraux in zijn woonkamer, leunend op zijn dubbele piano (1952).Beeld Hollandse Hoogte/Maurice Jarnoux
André Malraux bedacht in 1947 het ‘imaginaire museum’. Vrij associërend ordende hij honderden afbeeldingen van kunstwerken en liet ze nieuwe verbanden aangaan. Dat zouden meer mensen moeten doen. U ook.
Het mag een bescheiden initiatief zijn tijdens deze donkere dagen, het is ook een zonnig alternatief om de verveling van kinderen binnenshuis te bestrijden. Althans, dat moet het Dordrechts Museum hebben gedacht bij het online zetten van de knutseltip ‘Maak je eigen museum’.
Het uitgangspunt is eenvoudig: kies op de site van het museum uit een ruim assortiment lijsten eentje uit die je het meest bevalt, plus uit een ander aanbod je favoriete schilderij. Teken dat na, zet het in de lijst en hang het in een kijkdoos die dienst doet als museumzaal. Mogelijk resultaat: een schilderij van Mondriaan in een krullerige baroklijst of een portret van koeien van Albert Cuyp tussen knoestige planken en een landschap van Hans Broek omringd door bladgoud. 
De variatie is eindeloos, zeker als je de gekozen kunstwerken niet beperkt tot de collectie van het Dordtse museum, maar het hele internet afgraast. Want dat is natuurlijk ook mogelijk: er zijn meerdere musea die hun collectie in hoge resolutie op de website hebben gezet. En daarnaast: waarom zou je, als je toch eenmaal bezig bent, al die bestaande kunstwerken niet combineren met krantenfoto’s, striptekeningen, reclamebeelden en boekomslagen? 
Zie daar: binnen een dagje knippen en plakken heb je je eigen verzameling samengesteld. Niet in het echt natuurlijk, met fysieke werken tegen de wit gepleisterde muren van een bestaand museum, maar fictief. Imaginair. 
Wie het kunsthistorische discours van de afgelopen eeuw een beetje heeft gevolgd zal bij de woorden ‘museum’ en ‘imaginair’ al snel denken: aha, dat komt me bekend voor. Precies: het idee komt aardig overeen met wat André Malraux (1901-1976) ooit bedacht, de Franse auteur van het existentialistische meesterwerk La condition humaine, filosoof, theoreticus, minister van Cultuur onder president Charles de Gaulle en bedenker van de Maisons de la Culture, die in de Franse provinciesteden de kunst dichter bij het volk moesten brengen.
In 1947 ontwikkelde deze Malraux namelijk zijn ‘Musée Imaginaire de la Sculpture’, een denkbeeldig beeldenmuseum. Malraux had daarvoor honderden afbeeldingen van sculpturen uit de hele wereld en alle tijden verzameld, die hij op een nieuwe manier had geordend. Niet kunsthistorisch verantwoord, maar los van hun oorspronkelijke context en enkel op basis van zijn eigen, vrije associaties. Uitgehakte hiëroglyfen uit Egypte naast middeleeuwse engelengezichten, precolumbiaanse reliëfs naast Griekse naakten en zandstenen koppen uit Mexico met gebeeldhouwde goden uit India. Malraux’ benadering liet zien dat beelden van schoonheid of engagement, van onheil en liefde zich niet strikt tot de westerse kunst beperkten, maar ook in Peru en Ghana, op de Filipijnen en Madagaskar werden gemaakt. 
Belangrijk voor de manier waarop Malraux te werk kon gaan, was de opkomst van de reproductietechniek. Fotografische afbeeldingen van de kunstwerken waren de kurk waarop zijn imaginaire museum überhaupt kon drijven. Met die foto’s kon hij uit alle hoeken van de wereld de verspreide werken verzamelen en op elke gewenste manier combineren.
Het is een benadering die je nu weer terugziet: dat musea in deze coronatijd zoeken naar nieuwe, lossere manieren om hun verzameling aan hun bezoekers voor te schotelen. Niet de objecten zelf, maar een fotografische of virtuele verschijning daarvan, met de camera laverend door de museumzalen of de mogelijkheid de collectie via Google Art beter te leren kennen. 
Dat Malraux’ imaginaire beeldessay zo veel bekendheid en gezag kreeg, lag niet aan het revolutionaire idee alleen, maar ook aan het imago van de bedenker. Malraux had het bijzonder met zichzelf getroffen. Een Frans haantje dat wist hoe hij zichzelf in de etalage moest zetten. Als geboren poseur wist hij ook zijn denkbeeldige expositie uit te dragen. Beroemd zijn de foto’s die hij door Maurice Jarnoux voor het blad Paris Match van zichzelf liet maken, in 1953, in de salon van zijn riante huis in Boulogne, met bureau, ruime driezitter en twee pianovleugels. Waarin hij zich staand en liggend liet vereeuwigen, te midden van de honderden fotoreproducties die hij op het tapijt had gerangschikt. 
Malraux was overigens niet de eerste die zo’n imaginaire benadering van de wereldkunst hanteerde. Aby Warburg was hem in de jaren twintig voorgegaan. De Duitse kunsttheoreticus stelde panelen samen met afbeeldingen van kunstwerken, krantenknipsels, reclamefoto’s en familiekiekjes die hij ordende op een tot dan toe onbekende, associatieve manier, tot een ‘beeldenatlas’.
De Mnemosyne Atlas in de Kunstwissenschaftliche Bibliothek van Warburg. Beeld Getty
De bekendheid van Malraux’ voorstel in 1947 had overigens zijn tijd mee. Na de nationalistische verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog groeide de behoefte aan een nieuw, internationaal en universeel overzicht van Mens en Kunst. Denk aan de eerste Documenta-tentoonstelling in 1955, in Kassel, waar wanden volhingen met gefotografeerde kunstwerken uit alle uithoeken van de wereld. Het was een eerste aanzet om deze aanvankelijke vierjaarlijkse expositie te laten uitgroeien tot dé (inmiddels vijfjaarlijkse) graadmeter van wat de mondiale kunst te bieden heeft. Denk ook aan de legendarische Family of Man-tentoonstelling die Edward Steichen datzelfde jaar organiseerde in het New Yorkse Museum of Modern Art, waarin een dwarsdoorsnede werd gegeven van de veelzijdige, maar o zo menselijke wereldbevolking. 
Fotograaf en toenmalig MoMA-directeur Edward Steichen (staand in het midden) arrangeert foto’s voor de tentoonstelling ‘Family of Man’ (1955), met 500 foto’s van meer dan 280 fotografen uit 68 landen.Beeld Bettmannarchief
Hoe dan ook, gezien de huidige ontwikkelingen is Malraux’ benaderingswijze, om op een vrije manier de kunst te hergroeperen, nog steeds verfrissend. Niet alleen omdat musea op dit moment gesloten zijn en ze op een andere manier, veelal online hun collectie presenteren, en omdat iedereen zo – zie het Dordrechts Museum – naar eigen goeddunken met collectiestukken aan de gang kan gaan. Maar ook hierom. De discussie die nu enkele jaren speelt is in hoeverre de musea niet te eenzijdig zijn samengesteld. Te westers. Te mannelijk. Te wit. Te autoritair. Te veel verkokerd in hun oude canon. Zonder al te veel aandacht voor vrouwelijke kunstenaars, kunstenaars met een niet-westerse achtergrond, en kunstenaars die niet in het aloude vertrouwde, maar benauwde keurslijf van de Goede Smaak en Verantwoorde Stijl werkten. 
Leemten die in de bestaande collecties moeilijk zijn in te vullen. Omdat de aanschaf van ander werk niet een-twee-drie te realiseren is, zeker niet met terugwerkende kracht. Wat wel op de manier van Malraux (en Aby Warburg) opgelost zou kunnen worden. Te beginnen op een virtuele manier. 
Waarom zouden Stedelijkdirecteur Rein Wolfs, Lisette Pelsers van het Kröller-Müller of Stijn Huijts van het Bonnefanten op de vloer van hun directiekamer niet eens, met een paar honderd afbeeldingen, een alternatieve collectie kunnen neerleggen? Mét de kunstwerken die zij op dit moment niet kunnen aankopen, maar wel met elkaar combineren? Plus al die andere beelden die nu te weinig in kunstmusea te zien zijn, uit de wereld van de reclame, publiciteit, familiealbums en de wetenschap, om maar wat te noemen. Om een beeld te geven van een ideale beeldenverzameling die zich uitstrekt buiten het conservatieve kunstbegrip. Wat ook geldt voor al die andere musea die om allerlei begrijpelijke, maar niet langer geldende redenen, een beperkte blik op het verleden en het heden hebben. En de toekomst. 
Als model is het Musée Imaginaire van André Malraux misschien nu urgenter dan ooit. En het wacht op uitvoering.

André Malraux 

André Malraux (1901-1976) kreeg in 1933 grote bekendheid met zijn politieke roman La condition humaine, door schrijver Eddy du Perron (aan wie het boek is opgedragen) in het Nederlands vertaald als Het menselijk tekort. Beide termen staan sindsdien in het collectieve geheugen gegrift. Het boek handelt namelijk niet alleen over gebeurtenissen tijdens de Chinese burgeroorlog in 1927, maar beschrijft ook hoe de mens die zijn eigen lot wil bepalen in een moeizame tweestrijd belandt.